De oorsprong van carnaval

Binnenkort kunt U weer kennis nemen van het traditionele carnavalsfeest. Voor de een blijft die kennis van dit folkloristisch gebeuren beperkt tot het vanaf de kant bekijken van allerlei evenementen, terwijl de ander zich vol overgave in het feestgedruis stort. Dan is er natuurlijk ook nog een groep mensen die carnaval laat voor wat het is en van de gelegenheid gebruikt maakt om een leuke voorjaarsvakantie te plannen. Een ding hebben deze drie groepen echter gemeen en dat is, dat men over het algemeen geen weet heeft van de oorsprong van het carnavalsfeest. Daar willen we middels dit artikeltje iets aan doen.

Voor de wortels van het carnaval moeten we terug naar de oeroude beschavingen in Mesopotamië en Egypte. Deze volkeren kenden al een feest waarin het sterven en herrijzen van de natuur aan het begin van het jaar in een groot magisch of religieus spel werd nagebootst. Door de Romeinse beschaving werden deze lente-/nieuwjaarfeesten, Saturnalia genaamd, overgenomen. Toen evenwel Julius Ceasar de kalender veranderde en de Nieuwjaarsdatum naar 1 januari schoof, was het neveneffect daarvan dat ook het Saturnaliafeest verschoof. Dit verklaart tevens het merkwaardige van onze maandnamen. Telt U maar even mee: september betekent letterlijk 7e, maar het is de 9e maand; oktober betekent 8e, maar is de 10e maand: november betekent 9e, maar is de 11e maand en december betekent 10e, doch is de 12e maand.

Ook onze eigen voorvaderen de Germanen, Galliërs en Kelten kenden verwante gebruiken. Wanneer men probeert gemeenschappelijke noemers in al deze gebruiken en feesten te ontdekken lijkt alles te draaien om de volgende elementen:
-Geboorte, sterven, en het daardoor delgen van een zondeschuld (een verzoeningsgebruik dus), en wedergeboorte van een god, een priesterkoning, of iemand in hun plaats.
-Een feest waarbij tijdelijk rangen en standen uitgewist lijken.
-Het herstellen van de orde na een korte periode van wanorde.
-Een scheepswagen, waarop en waaromheen dit alles zich voltrekt.

Naarmate de greep van het christendom op de Europese samenleving sterker werd, probeerde het steeds nadrukkelijker de talrijke restanten van Bachanalia, Lupercalia en Saturnalia en de daarmee corresponderende inheemse gebruiken te onderdrukken. Van de in 755 bij Dokkum vermoordde Bonifacius is nog een briefwisseling met paus Zacharias bekend, waarin hij aandringt op maatregelen tegen deze gebruiken. Met de synode van Benevento, in 1091, werden door de clerus deze feesten ingebed in de liturgie van het kerkelijk jaar en werd vastenavond officieel geaccepteerd. De vraag rijst nu: speelt de factor godsdienst een rol in de ontwikkeling van het carnaval?
Als men de carnavalskaart van Europa bekijkt, komt men tot de conclusie dat dit het geval is omdat carnaval zich ontwikkelde in de gebieden waar de socio-religieuze fronten tegen elkaar lagen, en wel aan de katholieke zijde van het front. In Nederland beneden de grote rivieren, in Duitsland langs de Rijn. De gedachte dringt zich op dat carnaval daar in zekere zin is gaan gelden als het waarmerk van de katholieke levensstijl. Op het gevaar af zich schuldig te maken aan gemeenplaatsen kan men toch stellen dat deze mensen iets lichtvoetiger zijn, wat meer bereid zijn de bloementjes eens buiten te zetten, wat gemakkelijker geneigd te denken dat we er wel komen, is het vandaag niet, dan is het morgen. Iemand schreef eens dat om carnaval te kunnen vieren een zekere "vermetelheid van levensinstelling" nodig is. Dat is zeker waar. En daar schort het bij Nederlanders volgens Anton van Duinkerken nog wel eens aan. Wat kan hij anders bedoeld hebben toen hij schreef: "De Nederlanders missen één ondeugd: de lichtzinnigheid". Hem kennende heeft hij de zuiderlingen toen gegarandeerd erbuiten gelaten.

Bron: Carnaval in Nederland en België, Drs. Theo Fransen en Gerrit Gommans, Spectrum boek 1984 Utrecht Antwerpen.

Ton Lensvelt

Bronnen

Carnavalskrant Den Klaiendammer 1992

Terug naar Columns


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl