Dussen voor de oorlog

Herman van Kleef werd geboren in Helkant, een gehucht op een dijk tussen Wagenberg en Hooge Zwaluwe, en was in 1937 in Oosterhout getrouwd met Naan Havermans uit Den Hout. Na hun trouwen hadden ze de boerderij van de kinderen Van Mol in de Achterstraat van Dussen Binnen betrokken die ten oosten naast de villa van Van Heijst stond. Waarschijnlijk was Herman door zijn vriend Piet van Schendel - afkomstig uit Wagenberg maar in Dussen woonachtig - er op geattendeerd dat in Dussen de boerderij van Hubertus van Mol te koop was. Hubertus zijn zuster was kort daarvoor overleden met als gevolg dat hij nu alleen voor zichzelf een huishouden moest bestieren. Hubertus van Mol zal bij de verkoop van zijn boerderij wel bedongen hebben dat hij zijn laatste levensjaren in het gezin van Herman en Naan mocht slijten. Op 1 mei 1939 overleed Hubertus van Mol, hij bereikte de gezegende leeftijd van 80 jaar.
Het gezin van Herman en Naan groeide tijdens de oorlogsjaren uit naar vier kinderen: Piet, Jan, Tooske en Herman junior terwijl er ook een dienstmeisje inwonend was, Johanna Huberta Verhoeven, een jonge zus van smid Wim Verhoeven uit Dussen Binnen.
Evacueren
Het gezin van Herman van Kleef en Naan Havermans moest in november 1944 gedwongen door oorlogsgeweld op de vlucht van hun boerderij in Dussen; evacueren heette dat. Ze gingen de Merwede over en kwamen uiteindelijk terecht in Hoornaar in de Alblasserwaard. Met z'n zevenen arriveerden ze in Hoornaar waar ze ingekwartierd werden bij de familie Van den Dool aan de Dorpsweg 58A. Die bewoonden de voormalige woning van de veldwachter die was vertrokken waarna het pand aangekocht was door Leen de Bruijn, transporteur te Hoornaar, van wie de familie Van den Dool de woning huurde. Ze werden er gezien de omstandigheden heel goed opgevangen. Helaas kwam hun jongste zoontje, Herman van 1 jaar, er wel te overlijden. De destijds nog zeer jonge 3-jarige Arie Van Den Dool, zoon van het gastgezin in Hoornaar, die thans in Schoonhoven woont, schreef een verhaal over zijn ervaringen over deze spannende periode.
In 1944 was het front van de oprukkende geallieerden bij de Bergsche Maas tot stilstand gekomen. In de herfst begonnen de Duitsers echter een tegenaanval voor te bereiden onder de codenaam Fall Braun. In combinatie met het Ardennenoffensief, wilde men met een doorbraak in het noordelijk front, doorstoten naar de haven van Antwerpen en deze heroveren op de geallieerden. Daarvoor werd door de Duitsers een grote troepenmacht van circa 16.000 man, waaronder een ruim aantal genietroepen, in de regio samengetrokken. Alleen al in Dussen arriveerden op één nacht maar liefst 1.600 soldaten. Dat was bijna net zo veel als het totaal aantal inwoners. Vanwege de geheimhouding werden ze in kleine groepjes ingekwartierd bij de burgerbevolking, terwijl het rollend materieel, waaronder veel tanks, werd opgeslagen in de talrijk aanwezige boerenschuren. Ook stond in de Voorste Hoek veel oorlogstuig opgesteld. De Duitse Genieregimentsstaf werd in Dussen gevestigd en was verantwoordelijk voor de vaste communicatielijnen tussen de oversteekpunten Keizersveer, Capelse Veer en Drongelen. De toren van de rooms-katholieke kerk van Dussen aan de Sluis fungeerde als commandopost.
Alle geheimhouding ten spijt waren de geallieerden toch goed op de hoogte van de plannen van de Duitsers. De opbouw van de troepenmacht in het Land van Heusden en Altena leidde dan ook tot hevige beschietingen van geallieerde zijde. Daardoor werd het steeds onveiliger en de inwoners van Dussen werden geheel onvoorbereid gesommeerd te evacueren; met Allerzielen 2 november 1944. Bepakt en gezakt, te voet met de handkar, kruiwagen of kinderwagen, op de fiets, met paard en kar, trok een lange, treurige stoet evacués over de Kornsedijk naar meer noordelijk gelegen gebied: Almkerk, Nieuwendijk, Uitwijk, Rijswijk, Giessen, Andel, Werkendam, De Werken, Sleeuwijk, Woudrichem, enzovoort. Bewoners van Dussen Binnen en de Baan evacueerden ook wel naar Hill of Babyloniënbroek en zelfs de Biesbosch was voor sommige gezinnen een toevluchtsoord. Een aantal stak de Merwede over waaronder het gezin van Herman en Naan.
Doorgaans werden evacués naar de mogelijkheden opgevangen, hoewel er ook wel een aantal voorbeelden zijn waarbij minder naastenliefde werd betracht. Die opvang was overigens niet geheel vrijwillig want door de lokale de overheid werd de verplichting uitgevaardigd om evacués in huis op te nemen, op straffe van zelf uit huis gezet te worden. Echt honger werd er niet geleden. Wel was de voeding tamelijk eenzijdig en was er een tekort aan specifieke producten zoals koffie, zeep en ook medicijnen.

De ouders van Arie, die vanwege eerdere inkwartiering van Duitsers wel gewend waren aan de nodige reuring in huis, ontvingen het gezelschap uit Dussen laat in de middag in november 1944. Ze waren doodmoe en uitgeput van de verre reis en van de spanning. Ze arriveerden met paard en wagen en met veel spullen zoals: dekens, kleding, voedsel, waaronder aardappelen, knollen en zijden rookspek, en wat al niet meer. Ook enkele koeien hadden ze aan de kar gebonden die gestald mochten worden in een van de schuren van huisbaas Leen de Bruijn, tevens familie van het gastgezin. Het gezin van Kleef trof het met hun evacuatieadres. Aries ouders stelden hun grootste kamer {de voorkamer}, de grote slaapkamer en de zolder ter beschikking van de evacuees uit Dussen, die dankbaar hun intrek namen met hun vier kinderen en het dienstmeisje.
Verblijf in Hoornaar

Van november 1944 tot juni 1945, zo'n acht maanden, was de familie Van Kleef geëvacueerd bij de familie Van den Dool in Hoornaar.
Arie van den Dool vertelt over hoe hij en zijn ouders die periode beleefd hebben. Een citaat
'Voor mijn ouders was het wel de vraag: Hoe zou het zijn, een katholieke familie over de vloer? Zelf waren zij hervormd, al gingen ze niet naar de kerk. Herman en Naan waren evenwel positief ingestelde, vrolijke en warme mensen en konden het wonderwel goed vinden met mijn ouders. Voor de kinderen was het echter een enorme overgang, niet langer de vrijheid te hebben zoals op de boerderij. Niet naar school, de hele dag thuis en tijdens de hongerwinter was binnenspelen eigenlijk het enige tijdverdrijf. Ik had zelf met mijn 3 jaar amper speelgoed en omdat de kinderen Van Kleef zelf ook vrijwel niets hadden meegebracht waren mijn paar speeltjes direct in gebruik. Zittend op een kleurig telraam dat ik voor mijn verjaardag had gekregen, probeerden Piet en Jan de houten trap af te rollen. Gevolg, schade aan de traptreden en het telraam aan barrels waarvoor ze flink op hun kop kregen van moeder Naan. Met Toosje kon ik wat rustiger spelen, maar we werden vaak weer uit elkaar gespeeld door haar twee broers.''Na enige weken diende zich het noodlot aan. Hermanneke, bijna 1 jaar, was bij aankomst al erg uitgeput en ziek. Zijn situatie verbeterde niet. Integendeel, verergerde zelfs en omdat adequate medische verzorging ontbrak, stierf hij, notabene op zijn geboortedag 28 januari 1945. Kapelaan De Rooy uit Dussen bezocht de familie Van Kleef in Hoornaar vrijwel wekelijks op de fiets en was een grote steun voor de ouders. Immers, naar de mis gaan was niet mogelijk, er was geen katholieke kerk in de directe omgeving. De kapelaan kon Hermanneke op de dag van zijn overlijden nog het H. Oliesel toedienen wat voor de ouders een hele troost was. Jammer genoeg weigerde de dominee van Hoornaar om Hermanneke op de begraafplaats bij de hervormde kerk te laten begraven waarover vader Herman Kleef zich bijzonder boos maakte maar de dominee was onverbiddelijk. Een alternatief werd gevonden in Gorinchem waar hij op 31 januari ter aarde werd besteld om uiteindelijk na de bevrijding op 31 augustus 1945 alsnog te worden herbegraven op het R.K. Kerkhof aan De Sluis in Dussen.'

De maanden verstreken met de ongemakken en tekorten van de hongerwinter. Herman was vaak op pad en verzorgde natuurlijk ook zijn dieren die verderop in het dorp op stal stonden. Mijn vader werkte als chauffeur bij het transportbedrijf van Leen de Bruijn en kon gelukkig de gehele oorlogsperiode van de verplichte tewerkstelling in Duitsland verschoond blijven. Ook Herman bleef daarvan vrijgesteld omdat hij als boer een bijdrage leverde aan de voedselvoorziening. Naan en moeder bestierden samen het huishouden en kookten op het grote fornuis en twee oliestellen de dagelijkse maaltijd. Ik kan het me niet goed meer herinneren maar er staat me bij dat het dienstmeisje Johanna Verhoeven niet lang bij ons is gebleven. Waarschijnlijk is zij al vrij snel terug gegaan naar haar ouders op het evacuatieadres.
Toen de lente aanbrak werd de berichtgeving over de oorlog steeds positiever. De bevrijding scheen op til. De Duitsers stonden zelfs voedseldroppings van de geallieerden toe om de hongersnood onder de bevolking enigszins te lenigen. Toen kwam begin mei 1945 uiteindelijk het bericht waarna zo lang was uitgekeken: Duitsland had gecapituleerd, Nederland was bevrijd.
De Alblasserwaard werd echter niet echt bevrijd. Opeens was er de overgave van de Duitsers en de troepen die nog in de omgeving gelegerd waren werden gevangen genomen en ontwapend. Op een grasveld aan het eind van het dorp, bij de brug over de Vaart (Vort), werden van de Duitse militairen in beslag genomen gestolen goederen uitgestald en konden de mensen zoeken naar hun vermiste eigendommen of spulletjes die men kon gebruiken. Mijn moeder vond een houten fotolijstje dat nog tientallen jaren op de schoorsteenmantel heeft staan pronken.
Terug naar huis
In mei 1945 werd Nederland bevrijd maar het duurde nog een geruime tijd alvorens de familie Van Kleef weer terug naar huis kon. Dussen was als frontdorp een ware puinhoop met talloze kapotgeschoten huizen, overal inslagkraters van granaten en bezaaid met landmijnen. Vooral die mijnen waren levensgevaarlijk en deze moesten eerst geruimd worden waarvoor krijgsgevangen Duitsers werden ingezet.

Maar uiteindelijk werd het dorp in juni 1945 vrijgegeven en konden ze weer naar Dussen. Er werd hartelijk afscheid genomen van de gastvrije familie Van den Dool en met paard en kar en de koeien werd de terugreis aangevangen waarbij ze overigens onderweg nog op diverse problemen stuitten vanwege kapotte of zwaar beschadigde wegen en veerponten die buiten gebruik waren. Over de Kornsedijk reden ze Dussen Binnen om via de Voorste Hoek naar Dussen Binnen te rijden. Daar aangekomen schoten hun de tranen in ogen. Het prachtige kasteel was zwaar beschadigd maar dat was nog maar het begin de prachtige villa van de buren Van Heijst-Staal was een ruine maar het allerergst was hun eigen boerderij die volledig was afgebrand en onbewoonbaar was.
Het moet voor Herman en Naan en hun kinderen gevoeld hebben alsof ze in een compleet andere plaats waren gekomen dan het dorp dat ze acht maanden eerder hadden verlaten. De Kornsedijk en het riviertje De Dusse lagen er nog, de Groot-Zuideveldse polder ook, maar het hart van hun bestaan — de boerderij in Dussen Binnen, hun thuis — was compleet weggevaagd. Er resteerde alleen een zwartgeblakerde puinhoop, kromgetrokken ijzerwerk en een geur van natte as aan wat ooit hun thuis was geweest.
Hun eerste zorg was om onderdak te krijgen. Via de gemeente kregen ze een groenhouten noodwoning toegewezen die met hulp van buren en vrienden werd opgetrokken en zo goed en zo kwaad als het ging werd ingericht met een kachel, een tafel en stoelen en een paar britsen die Herman van sloophout timmerde. Het was behelpen en het rook er naar hars en aarde maar het was een dak boven hun hoofd en het was een thuis. En van lieverlee werd het door moeder steeds gezelliger gemaakt.Voor het vee werd een noodstal gerealiseerd van golfplaten en Herman ging energiek aan de slag op zijn wei- en bouwland omdat weer in orde brengen en bouwrijp te maken. Ondanks hun bekrompen behuizing werd er onverdroten aan gezinsuitbreiding gewerkt. In drie jaar tijd werden Ellie, Annie en Ria geboren. Herman, die ook een sportliefhebber was, had zelfs nog energie om in 1946 voorzitter te worden van de voetbalvereniging Dussense Boys die na de bevrijding weer nieuw leven was ingeblazen.

Toch was het opstarten van het boerenbedrijf best wel zwaar. Dussen lag na de bevrijding in mei 1945 in puin. Het had de twijfelachtige eer tot de meest getroffen dorpen van het Land van Heusden en Altena te behoren. Ruim 300 huizen waren vernield of zwaar beschadigd. In Dussen Binnen waren veel historische boerderijen en herenhuizen tot de grond toe afgebrand. Het gerenoveerde kasteel was door zo'n duizend granaatinslagen getroffen. De rooms-katholieke kerk aan De Sluis en de hervormde kerk in het Binnen waren allebei zwaar beschadigd, evenals het klooster in het Rommegat. De schade aan de gereformeerde kerk was gelukkig beperkt en werd begroot op ƒ 2.500,-. De brug over het kanaaltje naar de Bergse Maas was vernield. In de haven aan de Loswal hadden de Duitsers een paar schepen tot zinken gebracht. Bovendien was men geheel geïsoleerd omdat de ponten over de Bergsche Maas door de Duitsers waren opgeblazen evenals de bruggen bij Keizersveer en Heusden.
Maar de grootste ramp geschiedde enkele weken na de bevrijding, toen het raadhuis aan De Sluis in de lucht vloog. Vijf mensen verloren daarbij het leven en één werd er zwaar gewond. De ontzetting in Dussen was groot en de klap dreunde nog lang na.
Omdat het ruim zes weken geduurd had alvorens de bewoners weer in Dussen arriveerden, bleef het dorp gevrijwaard van bijltjesdagtaferelen. De dorpsbewoners hadden wel wat anders aan hun hoofd. In plaats daarvan werden er feestelijkheden op touw gezet zoals: de kermis in september 1945 in een tent aan de Molenkade en later een oranjefeest op 30 april 1946 aan de Korn op het erf van Toon van Krimpen. Allebei mede als een verlaat eerbetoon aan de bevrijding en om geld in te zamelen voor de zwaarst getroffenen.
Van diverse kanten werd hulp geboden om de accute nood te lenigen. Zo werden goederen beschikbaar gesteld door Leerdam, dat Dussen en Almkerk geadopteerd had voor noodhulp. En in Leidschendam werd een glasactie georganiseerd ten behoeve van de gemeente Dussen die maar liefst 800m² glas en ƒ 1.900,- contant geld opleverde met daarbij ook nog eens 22 schilderpatroons en –gezellen om het glas te plaatsen. Uit dankbaarheid daarvoor werd door de inwoners van Dussen en Hank aan de inwoners van Leidschendam een drietal cabaretavonden aangeboden.

De Hulp Actie van het Rode Kruis (HARK) leverde drie trucks met hulpgoederen die door het gemeentebestuur aan De Putten in Dussen met het nodige ceremonieel en fanfaremuziek werden ontvangen. De goederen werden opgeslagen in de R.K. Jongensschool en van daaruit verdeeld onder de behoeftige bevolking. De school met de bijbel in de Muilkerk ontving zelfs tien kisten met kinderkleren vanuit Amerika.
Wethouder Koekkoek nam bij het veer van Sleeuwijk 50 koeien en 5 biggen in ontvangst gratis afgeleverd door de gemeente Berkel en bestemd voor gedupeerde landbouwers in Dussen en Almkerk. Ook arriveerden transporten met Canadese paarden bestemd voor de streek waarin ook Dussen meedeelde.
Financieel werden er handreikingen gedaan om de wederopbouw op gang te helpen en te ondersteunen. Geholpen door de beschikbare subsidie konden Herman en Naan in 1950 een compleet nieuwe boerderij laten bouwen. Door hard werken wisten ze hun bedrijf weer van lieverlee op te bouwen. In 1959 werd achter de boerderij een halfopen hangar met wagenberging gerealiseerd. Omstreeks 1960 werkte Herman een tijdje bij de champignonkwekerij van Jos Reuvers. Zodoende leerde hij daar het vak en besloot hij in zijn eigen boerderij ook champignons te gaan kweken als nevenactiviteit naast het gemengd bedrijf (landbouw en veeteelt). Zijn opgroeiende kinderen, jongens en meisjes, werden daar bij ingezet als hulpkrachten.
In 1962 vierden ze hun zilveren bruiloft bij welke gelegenheid de bijgaande familiefoto werd genomen. Het waren tekenen dat het steeds beter ging en dat de welvaart toenam. Maar het gezin had ook met tegenslag te kampen. Wat heet: tijdens de evacuatie was Herman junior overleden maar ook hun twee zoons Piet (1939-1967) en Jan (1940-1978) kwamen vroegtijdig te overlijden. Piet door een noodlottig ongeval met een tractor en Jan door een slopende ziekte. Omstreeks 1975 zal Herman het bedrijf hebben overgedaan aan zijn zoon Jan die ondertussen getrouwd was met Adriana de Jong. Na Jans vroegtijdige overlijden bleef Adriana niet bij de pakken neerzitten maar investeerde zij samen met haar schoonmoeder in uitbreiding en vernieuwing van het bedrijf tot een moderne rundveehouderij in combinatie met een akkerbedrijf en werd een nieuwe ligboxenstal gebouwd. Herman overleed in 1998, zijn vrouw Naan één jaar later.
Bron: Artikel van Arie van den Dool uit Hoornaar die 3 jaar was toen het gezin van Herman en Naan van Kleef bij zijn ouders geëvacueerd waren.