Jan van der Stelt Gzn, oorlogsslachtoffer in Mauthausen/Gusen.

Jan van der Stelt uit Dussen werd op 6-8-1920 in Almkerk geboren en overleed op 13-12-1944 aan de ontberingen geleden in concentratiekamp Gusen in Opper-Oostenrijk, een van de vele subkampen van het beruchte werkkamp Mauthausen.

Achtergrond

Gerrit van der Stelt en Jenneke Rijken op latere leeftijd, toen Jenneke soms op bezoek was in Dussen. Foto Jolinda Swart.

Gerrit van der Stelt in zijn jonge jaren omstreeks 1910 in militaire dienst. Foto Jolinda Swart.

Jan was de oudste zoon uit het gezin van zes kinderen van Gerrit van der Stelt (1892-1972) en Jenneke Rijken (1900-1968). Het gezin woonde aanvankelijk in Almkerk aan de Emmikhovensedijk nummer B6 in de buurt van de Kornse Sluis. Jenneke was afkomstig uit Hank. Haar ouders, Cornelis Jzn Rijken en Antonia Colijn woonden aan de Hankse Buitenkade nr 15. Jenneke was net 18 jaar toen ze als dienstbode aan de slag ging in Nieuwendijk op het adres nummer A20 bij winkelier Nicolaas van Andel en zijn vrouw Dingena van de Stelt en hun zeven kinderen; aan huishoudelijk werk geen gebrek dus. Jenneke maakte al vrij snel kennis met Gerrit van der Stelt en blijkbaar klikte het meteen want een jaar later, op 23-5-1919, zijn ze in Almkerk getrouwd waarna anderhalf jaar later, in augustus 1920, hun eerste kind, Jan vernoemd naar zijn opa van vaderskant, geboren werd.

Tot oktober 1924 zijn ze in de buurt van de Kornse Sluis blijven wonen maar daarna zijn ze met de inmiddels drie kinderen verhuisd naar Dussen waar ze aan de Hoogendijk, thans Oude Zeedijk genoemd, op nummer B149 een huis hadden gevonden; de vorige bewoner, Adriaan van Tilborg, was een paar maanden eerder overleden. Later verhuisden ze naar de Nieuwesteeg 159a waar ze een woning betrokken die ze deelden met de familie Cees Leenhouts-de Ronde (op 159b). De reden van hun verhuizing naar Dussen is niet bekend maar had wellicht met het werk van Gerrit - hij was arbeider van beroep - te maken. In Dussen werden nog drie kinderen geboren. Maar toen sloeg het noodlot onverbiddelijk toe. De pasgeboren baby, Antonetta, overleed al een maand naar haar geboorte in augustus 1927 maar tot overmaat van ramp kwamen in oktober ook haar zusjes Antonia van 5 jaar en Cornelia van 3 jaar te overlijden.
Hoewel niet feitelijk bekend zijn de kinderen waarschijnlijk gestorven aan de heersende roodvonkepidemie. Roodvonk was in de periode 1927-1929 wijdverspreid in heel Nederland, ook in kleine dorpen. De regionale kranten maakten melding van veel gevallen van roodvonk. De ziekte was zeer besmettelijk en verspreidde zich via scholen, gezinnen en kerkgemeenschappen. Het enorme verlies van drie kinderen was voor moeder Jenneke niet te bevatten en ook niet te dragen. Ze stortte volledig in en begin november 1927 werd ze opgenomen in een verzorgingsinstelling in Vught. Ze herstelde ook niet meer en nadat eind 1944 ook nog eens haar oudste zoon Jan in een Duits consentratiekamp was omgekomen kwam Jenneke nooit meer thuis. In 1968 stierf ze na 40 jaar verpleegd te zijn geweest in de Reinier van Arkel Stichting in 's-Hertogenbosch vlak bij de Sint Jan, nog immer gekweld door intens verdriet.

Oom Jan en tante Willemina Rijken-Heil die Jan van der Stelt in hun gezin opnamen. Foto Jolinda Swart.

Na de opname van Jenneke bleef vader Gerrit achter met twee zoontjes, Jan 7 jaar en Johan 1 jaar, en een dochtertje, Gijbertje 4 jaar. De twee jongste kinderen, Gijbertje en Han werden opgevangen door oma Rijken - opa Cornelis Rijken was al eerder overleden - terwijl Jan werd opgenomen in het kinderrijke gezin van oom Jan en tante Mien Rijken-Heil, een oudere broer van Jenneke, die ook aan de Hankse Buitenkade woonden op nummer C305b. In het bevolkingsregister wordt bij de naam van Jan der Stelt ook verwezen naar dit nummer C305b. Toen de kinderen wat ouder waren zijn ze weer bij hun vader gaan wonen.

Opgepakt door de Duitsers

Kamp Flossenburg in Beieren Duitsland.

Hoe dan ook, Jan groeide op en werkte op de tekenkamer bij Papierfabriek Maasmond te Keizersveer maar volgde tevens een opleiding tot autogenisch lasser in welk beroep hij werk vond bij de De Vries Robbé in Gorinchem. Ook kreeg hij verkering met Bertha Boudewijn, een meisje uit Raamsdonk. Door zijn gespecialiseerd beroep werd hij tijdens de oorlog al snel, samen met een collega, gedwongen om in Nederland voor de Duitsers te werken. De twee collega's dienden daarbij borg te staan voor elkaar. Jans collega trok zich daar echter niets van aan en bleef zonder voorafgaande mededeling aan Jan weg van zijn werk. Consternatie natuurlijk toen zijn collega na een verlof niet meer op zijn werk verscheen. Jans vader vertrouwde de Duitsers voor geen cent en adviseerde Jan dringend om onder te duiken. Maar Jan besloot om gewoon naar zijn werk te gaan. Had hij dat maar niet gedaan want Jan werd opgepakt en stevig verhoord omdat de Duitsers vermoedde dat hij wist waar zijn collega verbleef. Het verweer van Jan dat hij van niets wist en dat hij het gedrag van zijn collega afkeurde omdat hij daarmee Jan voor zijn handelen liet opdraaien mocht niet baten. Hij werd uiteindelijk gederporteerd naar het werkkamp Flossenburg in de regio Oberpfalz (Beieren) in Duitsland. Het kamp diende vooral voor gevangenen en krijgsgevangenen uit de bezette gebieden. Ze werden in een van de zestien grote houten barakken ondergebracht. Het crematorium lag in de vallei achter het kamp en was voor de gevangenen niet onmiddellijk zichtbaar. Ze werden direct aan het werk gezet in de plaatselijke granietgroeves en in de Messerschmitt-fabrieken. Het verblijf was er net als in alle andere concentratiekampen: ondervoeding, ziekte en overwerken waren schering en inslag. Daarbij kwam dan nog de hardheid van de bewakers. Al snel werd door een aantal gevangen een plan gesmeed om te ontsnappen, een groepje waarbij Jan zich aansloot. Ze wisten inderdaag uit het kamp te ontsnappen maar door de onbekendheid met de omgeving werden ze al vrij snel buiten het kamp opgepakt. Hun straf was desastreus, een aantal werd opgehangen of geëxecuteerd. Dat lot bleef Jan voorlopig nog bespaard maar hij werd wel overgeplaatst naar een ander kamp. Op 23 oktober 1944 werd hij vanuit Flosseburg op transport gesteld naar kamp Mauthausen in Oostenrijk.

De beruchte dodentrap in kamp Mauthausen.

Mauthaussen was een onvoorstelbaar verschrikkelijk wreed kamp. Nieuw aangekomen gevangenen werden gedesinfecteerd en hun hoofd kaalgeschoren. Daarna werden ze gekleed in een blauw-wit gestreepte overall. Op de kleding werd met een gekleurde driehoek de aard van het 'delict' aangegeven, met daarin de eerste letter van de nationaliteit. In het gebied rond Mauthausen was ook volop graniet aanwezig, zodat de gevangenen opnieuw werden afgebeuld in de plaatselijke steengroeve. Er was een trap van 186 treden, dodentrap genoemd (foto), naar de diepte van de granietgroeve, waar menigeen het leven liet. De verblijfs- en arbeidsomstandigheden voor de gevangenen waren onbeschrijflijk slecht en de bewakers ongelooflijk wreed en gewelddadig. Voortdurende mishandeling, straf, ziekte en honger bepaalde het beeld van alledag. Gevangenen werden doodgeslagen, opgehangen, of doodgeschoten. Zieke gevangenen liet men bevriezen, verhongeren of werden gedood.

Vanuit het kamp schreef Jan een brief aan zijn vriendin in Raamsdonk of misschien aan zijn vader, dat is niet helemaal duidelijk. De inhoud van de brief liet echter niets aan de verbeelding over. Omdat de uitgaande post streng gecensureerd werd gaf Jan aan zijn gelovige vriendin/vader de nummers van een psalmberijming door namelijk van Psalm 109 vers 14 waaruit zij/hij kon opmaken hoe zijn situatie in kamp Mauthausen was:

Gelijk een sprinkhaan, omgedreven, Berg ik nu hier, dan daar, mijn leven;
Mijn knieën weig'ren mij te schragen, En 't afgematte lijf te dragen;
Mijn vlees is mager, uitgeteerd, Zodat het alle vet ontbeert.



Onmenselijk arbeid

Na enige tijd werd hij opnieuw overgeplaatst naar het subkamp Gusen. Zo hij enige hoop gekoesterd mocht hebben dat daar misschien een minder streng regime heerste, dan kwam hij bedrogen uit. De omstandigheden waren er zo mogelijk nog slechter dan in het hoofdkamp Mauthausen. De kampleiding had als doelstelling om echte en vermeende vijanden van nazi-Duitsland door middel van onmenselijke arbeid uit te roeien. De levensverwachting van gevangenen bedroeg er slechts zes maanden door: dwangarbeid, uithongering en massale executies. Vanaf 1943 was het kamp een belangrijk centrum voor wapenproductie voor Messerschmitt en Steyr-Daimler-Puch. Om de productie van wapens uit te breiden, werd het kamp hernoemd tot Gusen I en werden er extra kampen, Gusen II en Gusen III, gebouwd. Gevangenen werden gedwongen enorme ondergrondse fabrieken te bouwen bedoeld voor de productie van Messerschmitt Me 262 straaljagers. Tegen het einde van de oorlog werden daar bijna duizend vliegtuigrompen geproduceerd.

HetNationaal Monument voor Nederlandse slachtoffers in Mauthausen.

Jan van der Stelt. Foto Jolinda Swart.

Die geschatte zes maanden overlevingskans was Jan helaas niet gegeven, anders had hij de bevrijding van het kamp mogelijk nog kunnen meemaken. Jan doorstond de ontberingen echter niet. Hij hield het slechts twee maanden vol en overleed op 13 december 1944 in Gussen, Oostenrijk. Zijn vader die na de oorlog met zijn dochter Gijbertje - die ondertussen getrouwd was met Cees Vink - van de Nieuwesteeg naar de nieuw aangelegde Wilhelminastraat 48 in Dussen was verhuisd, deed aangifte van Jans overlijden. Ter herdenking aan het afschuwelijk leed Jan overkomen staat de naam van zijn zoon vermeld op het Nationaal Monument in Mauthausen, samen met de 1659 namen van alle Nederlandse oorlogsslachtoffers.

Bron: Onderzoeksgegevens Gerard van der Stelt uit Almkerk met informatie van Gerrit van der Stelt Hzn. uit Dussen, een neef van het slachtoffer en met aanvullende informatie van Jenny Swart-Vink, een dochter van Gijbertje Vink-van der Stelt.



Terug naar Streekhistorie


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl