Ontstaan en opheffing van het kapittel van Munsterkerk (1306-1316)

Kapittels

De eerste clericale gemeenschappen ontstonden in de late Oudheid en de Merovingische periode in de directe omgeving van bisschoppen. Naar het voorbeeld van de apostelen en de eerste christenen leefden bisschop en clerici daar in één gemeenschap. Ze verzorgden op vaste uren (metten, vespers, later uitgebreid met terts en sext en soms none ) de viering van het koorgebed. Elk conventslid ontving een stipendium, een vast inkomen uit goederen van de kerk, maar ze mochten er ook eigen bezittingen op nahouden. De leden werden canonici genoemd, hun verblijfplaats heette monasterium. In een later stadium breidde de gemeenschapsvorming zich uit tot het platteland. Daar gingen kanunniken zich ook bezig houden met zielzorg en de zorg voor armen en zieken. Wel bestaat de indruk dat kapittels met name werden gesticht waar veronderstelt werd een economische basis te bestaan voor de ontwikkeling van een meer stedelijke samenleving.

Eind dertiende- begin veertiende eeuw vond er een opmerkelijke opleving plaats in de stichting van kapittels. Het waren vooral wereldlijke heren die de toon zetten op dat gebied. Zo werd door de heer en vrouwe van Putten en Strijen in 1308 het O.L. Vrouwekapittel in Geervliet gesticht. De graaf van Holland (en Zeeland) volgde hun voorbeeld met het Sint Pieterskapittel in Middelburg. Tot deze vroege stichtingen op initiatief van een wereldlijk heer behoorde ook het kapittel van Munsterkerk, dat vermoedelijk in 1306 werd opgericht. Het is best opmerkelijk te noemen dat in een zo kleine plaats als Munsterkerk een kapittel werd gesticht. Echter begin veertiende eeuw was er behoorlijk wat bedrijvigheid in de streek met de bouw van kastelen in Geertruidenberg en in Dussen-Munsterkerk door vazallen van respectievelijk de graaf van Hollant en de hertog van Brabant. Mogelijk had daardoor de gedachtengang postgevat dat er op termijn in Munsterkerk voldoende demografisch draagvlak zou ontstaan voor een kapittel. Het kapittel werd echter al vrij snel, in 1316, door heer Gerard van Voorne overgebracht naar Brielle. Vermoedelijk had de Heer van Voorne Munsterkerk verworven als onderdeel van de compensatie die de Heer Van Putten moest doen om het leenheerschap van terug te winnen.

Samenvatting onderzoek dienaangaande verricht door Dr. Hildo van Engen

Over het oude Munsterkerk is eigenlijk maar heel weinig bekend. We weten van het bestaan er van en dat aan de kerk tot 1316 een kapittel verbonden was. Ook zijn er sterke aanwijzigingen om te mogen veronderstellen dat de kerk van Munsterkerk tussen de Oude Straat en de Kalversteeg gestaan zal hebben, maar dat was het dan wel zo'n beetje.
Tot voor kort Hildo van Engen bij een onderzoek in de archieven van het Vaticaan - overigens voor een ander onderwerp - een veertiende eeuws document aantrof dat handelde over een geschil over het Munsterkerkse kapittel dat aanhangig werd gemaakt voor paus Clemens VI. Het kapittel was op dat moment al uit Munsterkerk verdwenen, maar een zekere Jan van Wijtvliet meende dat dit op onrechtmatige wijze was gebeurd. De paus, die op dat moment in Avignon vertoefde, liet op 1 augustus 1350 de kwestie onderzoeken.

Ontstaan

Volgens de tekst in het Vaticaan beschikte Jan van Wijtvliet over het patronaatsrecht van de parochiekerk van Munsterkerk. Dat houdt zoveel in dat hij het recht had om bij een vacature van de pastoorsplaats een nieuwe kandidaat voor te dragen. Zijn voorvader Willem Wijtvliet had er destijds met instemming van de plaatselijke geestelijke een college van twaalf kanunniken gesticht, waarbij hun inkomsten gefinancierd werden door goederen die Wijtvliet had ingebracht. Afgaande op de pauselijke tekst functioneerde het kapittel enige tijd ongehinderd en naar tevredenheid, totdat het door de heer Gerard van Voorne zonder geldige redenen werd overgebracht naar Brielle en waarbij ook de kapittelgoederen in beslag genomen waren. Dat gebeurde in 1331 en het kapittel bestond toen uit acht kanunikken. De opschudding daarover was blijkbaar groot geweest, met oorlogshandelingen,doodslag en andere wantoestanden tot gevolg. Uit de stukken blijkt voorts dat de kerk van Munsterkerk de apostelen Filippus en Jacobus als patroonheiligen had, maar behalve dat het proces lang aansleepte is geen uitslag bekend en Munsterkerk zag zijn kapittel nooit meer terug.

Maar wie waren nu die Van Wijtvliets? Oorspronkelijk afkomstig uit Mijnsherenland blijken de Wijtvliets midden dertiende eeuw aanzienlijke bezittingen te hebben in Babylonienbroek. Begin veertiende eeuw wordt Van Wijtvliet genoemd in de Voornzaterwaard, zeg maar de huidige Zuid-Hollandse Polder waar ook Munsterkerk lag. Onderzoeker Van Engen acht het aannemelijk dat er in de Voornzaterwaard een nederzetting is geweest met dezelfde naam (een “sate” langs het riviertje de Voren of Voeren), van een hogere ouderdom dan Munsterkerk en met Willem van Wijtvliet als ambachtsheer, die van hieruit een kerk gesticht heeft, toegewijd aan de heiligen Philippus en Jacobus. Aan die kerk moet al snel een seculier kapittel verbonden zijn, waardoor de naam Munsterkerk (die verwijst naar een klooster) ontstaan zal zijn.

Met andere woorden de kerk van Munsterkerk is gesticht geworden vanuit Voornsate door de ambachtsheer Willem van Wijtvliet, die nadat diezelfde Willem van Wijtvliet er een kapittel had gesticht (± 1300), de naam Munsterkerk heeft gekregen.

Verplaatsing

De al dan niet onrechtmatige toe-eigening van het Munsterkerks kapittel door Gerard van Voorne, hield waarschijnlijk verband met de verslechterde relatie met zijn buurman de heer Van Putten, die voor wat betreft het zuidelijk deel van zijn bezittingen leenroerig was aan Voorne. In 1308 werd al een wederzijds ondersteuningsverdrag door Van Voorne opgezegd, maar erger was dat Beatrijs van Putten, na het overlijden van haar vader in 1311, als rechtmatige erfgenaam verzuimde tijdig leenhulde te doen aan Van Voorne. Daardoor vielen de goederen terug aan Gerard van Voorne en konden deze slechts tegen betaling van een aanzienlijk bedrag worden terugverkregen.
Nu was Willem van Wijtvliet eind dertiende eeuw leenman van de heer van Strijen die in het bezit was van de halve tiende van de Vorenzaterwaard welke na zijn dood waren overgaan naar de heer van Putten. Zodoende was Willem van Wijtvliet leenman van Nicolaas van Putten geworden. Het is denkbaar dat de leenmannen van Putten een bijdrage hebben moeten leveren om de vrouwe Beatrijs van Putten haar heerlijkheid intact te houden. Daarbij zal het kapittel van Munsterkerk inclusief de kapittelgoederen deel hebben uitgemaakt van de schadevergoeding die de vrouwe van Putten moest opbrengen voor Gerard van Voorne.
Munsterkerk verloor daardoor niet alleen zijn kapittel maar ook zijn oorspronkelijke ambachtsheer, de heer van Wijtvliet, ten gunste van de heer van Wendelnesse. Omdat Beatrijs van Putten veel geld nodig had profiteerden de heren Van der Dussen van deze zogenaamde "tragedie van Putten" door uitbreiding van hun leengoed en de verwerving van het recht om nieuwe ontginningen te initiëren

Bronnen

K.A.J. van Vliet, In kringen van kanunniken - Munsters en kapittels in het bisdom Utrecht 695-1227 (2002).
Dr. Hildo van Engen, Het kapittel van Munsterkerk in Historische Reeks Land van Heusden en Altena, nr. 17 (2008) p. 66-97.
J.P.C.A. Hendriks, Dussen en Heeraartswaarde in Historische Reeks Land van Heusden en Altena, nr. 1 (1990) p. 20-22.
Drs. Jan van Oudheusden, Verhalen van Brabant - De hertog en zijn steden, (2011) p. 56-57.
Peter Don, Voorne-Putten, Zwolle: Waanders, (1992) pp. 127-8.

Terug naar Streekhistorie


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl