Lotgevallen van De Oliemolen in de Dorpsstraat in Dussen
Oliemolens werden gebruikt om olie te persen uit lijn-, raap- en koolzaad met de perskoek als restproduct geschikt als veevoer. De olie werd gebruikt voor bakken en braden maar ook voor verlichting in de olielamp en voor het maken van verf. Het proces van het olieslaan bestond uit twee hoofddelen: het fijnmaken van het zaad onder grote draaiende kantstenen en het persen van het warm gemaakte meel in een slagblok met behulp van heien en wiggen. Als de olie bestemd was voor speciale doeleinden, zoals voor verwerking in verf voor kunstschilders (olieverf), werd deze koudgeperst. Door de arbeidsintensiteit van het proces waren zogenaamde rosoliemolens - aangedreven door een of twee paarden - in sommige opzichten in het nadeel ten opzichte van wind- of watermolens die voor het zelfde doel gebruikt werden.
Willem Boor was mogelijk in 1801 in het bezit gekomen van het betreffende pand. Door de schepenen van Munsterkerk werd namelijk in dat jaar bij executie voor Antonij van der Pluijm zijn pand met erf en dijkkaveling voor 600 Pond verkocht aan Willem Boor waarbij er overigens voor de geëxecuteerde Antonij van der Pluijm door de hoogte van zijn schulden niets overschoot van de verkoopsom. Het oorspronkelijk recht van de ambachtsheer van Munsterkerk om een rosmolen in bedrijf te hebben was na afschaffing van de heerlijksrechten (in 1798) vervallen. Het is niet ondenkbaar dat het geslacht Stael deze gelegenheid te baat heeft genomen om een 'oliemolen' te realiseren in een schuur of boerderij in de Dorpsstraat alwaar zij destijds meer eigendommen hadden. In de loop der tijd werd indachtig het van oudsher aanwezige respect voor familiebezit deze nering als erfgoed binnen familieverband doorgegeven.
Omstreeks 1835-1840 werd het oliemolenbedrijf door Leonardus geheel vernieuwd doordat hij een compleet nieuwe schuur inclusief paardenstalling en karhuis liet bouwen. De investering die daarmee gemoeid was werd voor een deel bekostigd door de verkoop in januari 1835 van vier percelen bouwland gelegen ten noorden van De Bosschen aan Bastiaan de Rooij junior waarvoor hij een bedrag van 1.600 gulden bedong. Hij nam daarna ook een knecht in dienst. Wanneer is niet bekend maar in 1840 was Albertus van Nuland, 28 jaar (geb. Rosmalen 2-3-1811) en in 1838 in Klundert getrouwd met Johanna Huijsmans, als olieslager aangesteld. Maar lang kon hij daarvan niet genieten. Misschien waren de gedane investeringen wat te hoog gegrepen in relatie tot het effectieve rendement van de molen, maar ook gezondheidsredenen zouden de oorzaak geweest kunnen zijn. Hoe dan ook, begin 1841 werd besloten om het bedrijf in de verkoop te doen. Notaris Middelkoop kreeg opdracht het bedrijf zo voordelig mogelijk van de hand te doen, waarbij ook de alternatieve gebruiksmogelijkheden van het nieuwe gebouw werden aangeprezen. Zo zou het bijvoorbeeld uitermate geschikt zijn om er een brouwerij in te vestigen die er op dat moment in Dussen nog niet was. Maar de ligging en staat van inrichting leenden zich ook voor de fabricage van om het even wat voor producten dan ook. De verkoop zou plaats hebben in de herberg Wapen van Dussen aan de Putten van de weduwe Kipping. Hierbij kon op 1 maart 1841 worden ingezet met de bedoeling om twee weken later definitief te verkopen. Echter het overlijden van Leonardus, op 14 juni 1841 slecht 43 jaren oud, gooide roet in het eten en vermoedelijk werd de verkoop afgeblazen. Niettemin werd enkele maaanden later, in oktober 1841, de oliemolen opnieuw ter overname aangeboden in de Opregte Haarlemsche Courant, ditmaal door notaris A. Bossers uit Loon op Zand (advertentie links).Of het ook daadwerkelijk tot verkoop is gekomen is blijft de vraag. Bij zijn overlijden, liet Leonardus Boor een vrouw en twee kinderen achter. Kennelijk was de weduwe van Leonardus tot nieuwe inzichten gekomen of werden de ontvangen biedingen op het onroerend goed als onvoldoende beoordeeld. Hoe het ook zij, de oplossing werd gevonden doordat Maria Jacoba Stael opnieuw een huwelijkpartner vond in de persoon van Leonardus de Bodt (1803- ), een volle neef van haar overleden echtgenoot van zijn moederskant (Toethuijs). In 1842 traden zij in het huwelijk waarbij Leonardus de Bodt de bedrijfsvoering van de olieslagerij voortzette. Maar hij deed meer. Om de winstgevendheid te verbeteren en het rendement op het geïnvesteerde vermogen te vergroten, werd in het pand in de Dorpsstraat tevens een broodbakkerij, winkel en herberg uitgebaat. Hun knecht Albertus van Nuland had al die verwikkelingen niet afgewacht en was al eerder naar Waalwijk vertrokken.
Ongetwijfeld had de negentiende eeuwse bloeiperiode van de landbouw (1850-1875) een gunstige invloed op de bedrijfsvoering, want de nieuwe situatie bleef bestaan tot 1856. Om onbekende redenen werd begin dat jaar door Leendert de Bodt het gehele bedrijf in het Algemeen Handelsblad te koop gezet (advertentie rechts). Maar ook deze keer kwam het niet tot verkoop. Daarvoor diende gewacht te worden tot 1870 toen door notaris Verberne De Oliemolen met aanverwante onroerende goederen in het openbaar werden verkocht in het lokaal van de inpandige herberg. Leonardus had al eerder zijn beroep als tapper vaarwel gezegd en was vanaf 1865 voerman. Opdrachtgevers tot verkoop waren Leonardus de Bodt en zijn vrouw Maria Jacoba Stael en hun twee kinderen Willem Boor, karreman en landbouwer (gehuwd met Margaretha Schoenmakers uit Geertruidenberg) en Cornelia Boor (gehuwd met touwslager Henricus van der Velden). Het huis met schuur, paardenstal en karhuis inclusief de inrichting tot het persen van olie, alsmede de achterliggende tuin en boomgaard werden voor 1700 gulden ingezet door Cornelis Adriaanse van Dinteren. Bij de finale verkoop verhoogde hij zijn inzet met 100 gulden, waarna Johannes Schoenmakers, schipper uit Dussen het bod met 200 gulden ophoogde. Maar Van Dinteren, kennelijk vastbesloten , verhoogde opnieuw met 100 gulden tot een totaalbedrag van 2.100 gulden. De overige percelen werden ingezet en opgehoogd door vlasboer Teunis den Hoed uit Dussen voor 650 gulden en Cornelis Janse van Dijk, herbergier te Dussen voor 330 gulden. Echter bij de finale verkoop verscheen daar ineens Antonius Merkx ten tonele die bereid bleek voor de gehele massa de lieve som van 3.800 gulden op tafel te leggen, daarmee de andere deelbiedingen aanzienlijk overtroevend. Onder het toeziend oog van de getuigen Adrianus van Honsewijk en J.H. Stael was de verkoop daarna snel beklonken. Ter financiering sloot Merkx een hypotheek af op de onroerende goederen voor 2.000 gulden bij de heer Allard uit Geertruidenberg.
Antonius Merkx, telg uit een oud klompenmakersgeslacht uit Best maar zelf afkomstig uit Ammerzoden, was in 1864 getrouwd met Petronella van der Pluijm uit Hank en als klompenmaker in Dussen actief. Hun huwelijk werd als een van eersten geregistreerd in het RK-trouwregister van de pas kort daarvoor opgerichte parochie van Hank.
Bronnen:
Kadastrale gegevens Gemeente Dussen uit 1830